Baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker is een infectieziekte waarvan de incidentie nul zou moeten benaderen, omdat deze kanker gemakkelijk en vroeg is te detecteren door middel van een uitstrijkje (in situ stadium) en omdat het mogelijk is om een groot deel ervan te voorkomen door immunisatie tegen de belangrijkste soorten van het humaan papillomavirus (HPV) die bij baarmoederhalskanker betrokken zijn (HPV 16 en 18). 

Toch blijft in België de bruto-incidentie stabiel op ongeveer 11 per 100.000 patiëntjaren en in 2014 werden nog 653 invasieve gevallen van baarmoederhalskanker, waarvan 40% van FIGO-stadium >1 gediagnosticeerd. 

Bij patiënten van over de 70 is de helft van de gevallen van kanker FIGO-stadium III of IV. Deze bevinding toont het belang van het voortzetten van een gynaecologische opvolging na de menopauze aan. 

In 2012 werden 179 sterfgevallen aan baarmoederhalskanker toegeschreven en de vijfjaarsoverleving stagneert al enkele jaren op bijna 70%. 

Het gebrek aan een georganiseerde screening voor ongeveer 40% van de vrouwelijke Belgische bevolking in de leeftijdsgroep van 25-64 jaar speelt zeker een belangrijke rol in deze resultaten. Dit is nog meer betreurenswaardig daar baarmoederhalskanker een ideale kandidaat voor screening is. 

Aan de ene kant door de voorafgaande aanwezigheid van precancereuze laesies, genaamd cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN 1, 2 en 3) of squameuze intraepitheliale laesies van lage of hoge graad (respectievelijk LSIL of CIN 1 en HSIL of CIN 2 en 3), die gemakkelijk via een uitstrijkje te detecteren zijn en goed te genezen zijn met behulp van laserverdamping, cryotherapie, laserresectie of koude snareresectie en conisatie voor hooggradige laesies.

Aan de andere kant vanwege de trage natuurlijke evolutie, het duurt gemiddeld 10 tot 15 jaar voordat een hooggradige precancereuze laesie invasieve kanker wordt, wat het belang van screening benadrukt.

We zullen pas over enkele jaren de gevolgen van de terughoudendheid ten aanzien van vaccinatie tegen HPV kennen.

Het belang van de opsporing en het beheer van precancereuze laesies komt tot zijn recht als de aanwezigheid van een invasieve laesie wordt benadrukt. Zelfs indien de laesie strikt beperkt is tot de cervix (FIGO-stadium I), is de behandeling buitengewoon zwaar. Deze bestaat vaak uit/kan vaak bestaan uit pre-operatieve brachytherapie en een uitgebreide colpohysterectomie en vaak een ovariëctomie en nodale bekken lymfadenectomie (in de eerste lijn of na excisie en analyse van de sentinel node). Wat betreft de latere stadia worden deze meestal behandeld met gelijktijdige chemo(radio)therapie, soms aangevuld met een anti-angiogene behandeling, een cytoreductieve chirurgie of brachytherapie.

 

Literatuuropgave:
Incidentiecijfers: Belgian Cancer Registry (http://www.kankerregister.org/)