Colorectale kanker

Het is belangrijk op te merken dat het sterftecijfer van colorectale kanker geleidelijk blijft afnemen in het afgelopen decennium, met als onmiddellijke consequentie een even geleidelijke toename in vijfjaarsoverleving. Gezien het feit dat dit plaatsvindt in een context van verhoogde incidentie, is het voordeel daarom toe te schrijven aan zowel de uitvoering van screeningprogramma's en de therapeutische vooruitgang die sinds datzelfde decennium werd geboekt.

Andere recente gegevens vertroebelen echter het beeld. De incidentie is in feite hoog (9694 nieuwe gevallen in 2014, bijna 1000 meer dan in 2013), waardoor darmkanker nog altijd in de top 3 van de meest voorkomende vormen van kanker staat (op de tweede plaats bij vrouwen en derde bij mannen). In meer dan de helft van de gevallen treft de aandoening het sigmoïd. 

Bovendien is de mortaliteit van deze vorm van kanker niet te verwaarlozen (2973 sterfgevallen in 2012) en het overlevingspercentage na 5 jaar moet verder worden verbeterd (ongeveer 67% voor de meest recent gediagnosticeerde kankers). 

In dit stadium hebben de geïmplementeerde screeningprogramma’s vooral als gevolg de toename van de incidentie, hun invloed op het sterftecijfer wordt pas echt gemerkt wanneer de lijst van ongekende kankers sterk is afgenomen. In dit stadium van colorectale kanker wordt echter één colorectale kanker op de twee gediagnosticeerd met TNM-stadium III of IV, ongeacht de leeftijd van de betrokken personen. 

Een groot aantal risicofactoren (zoals obesitas, gebrek aan lichaamsbeweging, voeding, alcoholgebruik, roken) zijn verantwoordelijk voor de meerderheid van de gevallen van colorectale kanker. Lynch syndroom en familiaire adenomateuze polyposis zijn twee genetische aandoeningen die vroege kankers veroorzaken (vóór de leeftijd van 50 jaar). Hun invloed op de incidentie is laag, beide syndromen verklaren samen slechts minder dan 5% van de gevallen van colorectale kanker. Mensen met de ziekte van Crohn en mensen met colitis ulcerosa moeten regelmatig worden gecontroleerd door colonoscopie, vanwege hun toegenomen risico op intestinale carcinogenese (risico verhoogd met 1% per jaar bij patiënten die sinds 10 jaar colitis ulcerosa hebben). 

Waar mogelijk is een operatie de basisbehandeling en wordt deze bijna altijd gecombineerd met adjuvante chemotherapie.

Er is veel vooruitgang geboekt, op verschillende gebieden:

  • resectie van geïsoleerde lever- en longmetastasen of segmentectomie voor toegankelijke mestastasen die slechts een beperkt gebied innemen. Voor metastasen die (initieel) niet te opereren zijn: het gebruik van stereotactische radiotherapie, radiofrequente ablatie of injecties met radioactieve microsferen. 
  • het gebruik van efficiëntere chemotherapieprotocollen en waarvan het effect op de tumor dankzij functionele beeldvorming sneller kan worden waargenomen.
  • verbeterd gebruik van gerichte therapieën zoals monoklonale antilichamen om ofwel neoangiogenese te belemmeren met een anti-VEGF, of om de EGF-receptor te blokkeren in overeenstemming met de RAS-status.

 

Literatuuropgave:
Incidentiecijfers: Belgian Cancer Registry (http://www.kankerregister.org/)
Afkortingen:TNM = tumor, node, metastasen
VEGF = vasculaire endotheliale groeifactor
EGF = epidermale groeifactor